Al sinds de middeleeuwen is Lottum in het bezit geweest van zowel een wind- als een watermolen. In oude boeken, die toentertijd bijgehouden werden om administratief het zogenaamde leenstelsel bij te houden, staat het Daelderhof beschreven. Het Daelderhof was een leen vallend onder de heren van Broekhuizen die op hun beurt vielen onder de hertog van Gelre die vervolgens op zijn beurt, in ieder geval op papier weer horig was aan de koning. Genoemd Daelderhof bevatte naast een boerderij, wat land, een watermolen en vermoedelijk ook de voorloper van de Houthuizer windmolen.

De molen in de atlas van Johan Blaue
Van de windmolen dateert de oudste expliciete melding uit 1440. In de 15e en 16e eeuw lag het eigendom bij de adellijke familie van Holthuizen. (Houthuizen!). Een eeuw later zien we de windmolen terug in de Atlas Major van Johan Blaue , een atlas die toentertijd wereldwijd als de standaard gold. Op een van de topografische kaarten zien we bij Lottum overduidelijk een windmolen ingetekend.
In de Lottumse geschiedenis bekende adellijke families als de van Wylichs en de van Aerdts zijn in de 17e en 18e eeuw eigenaar van de molen geweest. Het Daelderhof werd later bekend als Groot en Klein Dael. Twee boerderijen met een water-en windmolen die oudere Lottumers nog intact gekend hebben. In meer recente tijd zijn deze gebouwen uiteindelijk verdwenen na de aanleg van de weg van Grubbenvorst naar Lottum die aanvankelijk dwars tussen deze twee hoeven door kwam te lopen zoals ook op vooroorlogse foto’s nog goed te zien is.

Bouwvergunning uit 1815
De Houthuizer molen zoals we die nu kennen stamt van na de Franse bezetting rond 1800. Met de Fransen verdween hier het feodale stelsel. En zo werd ene Peter Hoefnagels de eerste echt particuliere en niet adellijke eigenaar van het Daelderhof inclusief molengoed. Al spoedig werd Peter Hoefnagels opgevolgd door zijn zonen Johan en Lambert. Laatstgenoemde vroeg in 1815 een bouwvergunning aan voor de bouw van een nieuwe windmolen. Ook toen was geduld een schone zaak want pas twee jaar later konden de molenwieken voor het eerst draaien. Over gebruik en de inrichting is weinig bekend gebleven. De molen zou wel drie koppels stenen hebben gehad, waarvan een koppel blauwe Duitse stenen voor het boekweit en tarwegemaal.

Pelmolen
Oorspronkelijk was hij ook als pelmolen ingericht. Met deze pelgang werd gerst van de buitenste huidlaag en vliezen ontdaan. Het eindproduct is gort. In 1869 werd de molen verkocht aan de uit Broekhuizen afkomstige molenaar, Lambert Gerard van Dijck (een familie transactie waarbij Lambert verwijst naar zijn grootvader Lambertus Hoefnagels en Gerard naar zijn grootvader aan de van Dijcks kant, overigens ook Lottumers van origine) De nieuwe molenaar had kennelijk de wind tegen want in 1891 ging hij failliet en emigreerde hij naar Amerika. Schuldeiser Quirinus Laumans-Teeuwen uit Tegelen werd de nieuwe eigenaar die de molen vervolgens verpachtte en later verkocht aan Antoon Clevers.

Antoon Clevers
Deze van oorsprong Bergenaar boerde een stuk beter, ondanks de concurrentie die hij in 1908 kreeg van de stoommaalderij van Johannes Jacobus Smits aan de Broekhuizerweg. In 1918 nam hij diens stoommachine over en plaatste hij haar bij de windmolen op het Houthuizerveld. In 1936 trad zoon Sjeng in de voetsporen van zijn vader en hij was molenaar toen de Duitsers zijn molen, en overigens tal van andere Noord-Limburgse molens en kerken de lucht in joegen. De molen werd niet meer herbouwd, een nieuwe motormaalderij werd door Sjeng Clevers gebouwd aan de Broekhuizerweg , enkele jaren later overleed hij op tragische wijze toen hij op zijn transportfiets op de Horsterdijk overreden werd door een bestelwagen nota bene bestuurd door een werknemer van een meelfabriek. Symbolisch of niet, de opkomst van de meelfabrieken zorgde er uiteindelijk voor dat kleine maalderijen en molens in de toekomst overbodig werden.